40 jaar geleden…

Op 3 september 1979 stapte ik voor het eerst het leslokaal binnen van de A-opleiding bij het Academisch Ziekenhuis in Leiden. De zusterflat aan de Rijnsburgerweg was ik al vaak langs gereden, maar dat er ook een flinke serie klaslokalen aan verbonden zat, merkte ik toen pas. Nieuweroord heette het gebouw. In de volksmond ook wel zusterflat of hunkerbunker genoemd… Het gebouw is er niet meer, gesloopt in 2017.

Bij de ingang voorbij de portier rechtsaf en dan kwam je via een hal bij de leslokalen. Ik was al wat ouder. Ieder mens heeft recht op een foute afweging in zijn leven, en die van mij was dat ik na een mislukt jaar op de HAVO, aan het werk ging bij een middenstandsorganisatie als rechter- (en linker)hand van de algemeen secretaris. Kleine organisatie, twee mensen op kantoor. Na een Zonnebloemvakantie ontdekte ik dat ik het in me had om te zorgen voor anderen, en een nieuwe carrière was geboren.

Mijn eerste afdeling was Dermatologie. Ik heb daar als geen ander scheurlinnen leren knippen en wattenstaafjes draaien. Als je keukendienst had, dan was een van de voornaamste taken het pellen van de sinaasappel voor de hoofdzuster om 10.30 uur. Er lagen nooit meer dan 5 of 6 patiënten op de afdeling. Ik kon mijn leergierigheid niet echt kwijt, dus werd mij gegund om af en toe mee te helpen op de ‘openbenenpoli’. Zes mensen – zittend naast elkaar – op een verhoging. Het was aan mij om de verbanden te verwijderen, waarna de dermatoloog een kundige blik wierp, wat doorgaf over de staat van de wond en een eventuele wijziging in de wondbehandeling. Als ik geluk had mocht ik ook de ‘eenvoudige verbanden’ weer aanleggen. Op de poli heb ik ook de termen die door de omroep werden gedaan, begrepen: “Mevrouw de Bruin” betekende koffie, en ‘lekkend dak’ was synoniem voor even pauze.

Met zijn tweetjes in de nachtdienst want het AZL bestond toen nog uit diverse paviljoens, en voor de veiligheid moest je het weinige werk ook nog verdelen. En van de statussen moest je ‘s-nachts afblijven want dat was werk voor de staf.

Het is verbazingwekkend als je nagaat hoe in die 40 jaar de zorg is veranderd. Op de afdeling had je ‘s-middags nog tijd voor haren wassen, een wandeling maken, nagels verzorgen. Pre-operatief scheren op de heelkunde afdeling betekende dat je ook ruim de tijd kon nemen om met de patiënten te praten die ‘s-ochtends al waren opgenomen. Menig gesprek zorgde ervoor dat patiënten op hun gemak konden worden gesteld. Ik heb ruim 25 jaar met plezier in het ziekenhuis gewerkt, en nu al weer ruim 14 jaar in de thuiszorg. Ook daar veranderde veel in die tijd. Een nieuwe cliënt werd via de post aangekondigd, je deed overdag alleen dienst. Nu werken we met 3-4 collega’s overdag. De administratie is een veelvoud van vroeger. Alles moet verantwoord worden. De komst van het digitale dossier verbeterde veel, maar zeker niet alles. Nu staat er altijd druk op je werk.

Veertig jaar is een hele tijd, maar het is ook voorbij gevlogen. Je hoort wel eens over ‘de goede oude tijd’. Vroeger was zeker niet alles beter, maar waar we nu mee geconfronteerd worden (personeelstekort, werkdruk, geldgebrek, te laag salaris, wet BIG II!) doet me nu wel eens terugverlangen naar die  rustige tijd dat de hoofdzuster de dienst uitmaakte, en een verpleegkundige als directeur in het bestuur van het ziekenhuis zat…

Die tijd komt niet meer terug, da’s duidelijk!

 

“Is het nu al klaar?!”

In mijn late dienst kreeg ik enkele weken geleden een oproep uit een wijkteam in ons werkgebied. “De verblijfskatheter bij mevrouw is eruit, en ik ben  nog niet bekwaam om die opnieuw in te brengen”. Meestal duurt het dan wel even voordat ik de ruimte heb om langs te gaan, maar nu kon ik er binnen 10 minuten zijn. De collega gaf aan te kunnen wachten. Ik bel aan, de partner doet open. Door een smalle gang volg ik hem naar de kleine woonkamer, waar een bed staat. Mevrouw zit klaar, en kijkt angstig uit haar ogen. Mijn collega legt uit dat mevrouw erg moet wennen aan nieuwe gezichten en dus ook aan mij. “Ja” voegt mevrouw toe, “de vorige keer heeft het erg veel pijn gedaan. Je gebruikt toch wel verdovingsgel?” Mijn collega had me – voor ik kwam – al huizenhoog geprezen dat er geen betere kon zijn dan ik….

Mevrouw gaat aarzelend op bed liggen. Samen met mijn collega zet ik de spullen klaar. Ik handel verder volgens protocol, breng de verdovingsgel aan en wacht een paar minuten. Daarna geef ik aan dat de katheter wordt ingebracht. Vijf seconden later stroomt er urine in de slang, en vul ik de ballon met water. “Zo” zeg ik, “gebeurd!” Een verbaasde blik op het gezicht van mevrouw: “Is het nu al klaar?! Oh, dank u wel, ik heb er niks van gemerkt!” Zo’n blik, zo’n opmerking: dat maakt mijn hele dag goed!

Wie ontmoet ik vandaag?!

Ik heb in mijn werk de afgelopen tien jaar al op duizenden deurbellen gedrukt. Meestal weet ik wel wat ik vervolgens kan verwachten. Maar soms…

Een tijd geleden wordt rond half elf in de ochtend de deur geopend door – wat naar later bleek – de zus van de cliënt. Na mijn voorstellende woorden, reageert ze: ‘Ik heb jullie net gebeld, want hij is zo onrustig!’

Zij gaat mij voor naar de slaapkamer op de eerste verdieping. Ik tref daar twee vrouwen aan, een jongen in pyjama en een kale man in bed die erg oppervlakkig ademt. Ik controleer vitale functies en na het optillen van het dekbed voel ik een klamme, erg warme hand. De pols: erg zwak en snel. In mijn overdracht had ik al gelezen dat deze veertigjarige meneer een levensverwachting van een week had, maar dit is eerder een kwestie van enkele uren.

Ik neem contact op met de huisarts, die belooft snel langs te komen. Ik check nog of de onrust een andere oorzaak kan hebben, zoals een urineretentie of een reactie op de morfine. Ik leg de familie en de zoon in duidelijke woorden uit wat ik zie en wat ik denk. De jongere zoon zit vlakbij op school en wordt door een tante opgehaald. De dochter is onderweg en kan elk moment thuiskomen.

Twintig minuten na mijn binnenkomst overlijdt de man. De snelheid van zijn dood verrast ons allemaal. De huisarts komt even later binnen, op de voet gevolgd door de dochter. Die stort in als ze verneemt dat haar vader is overleden. Terwijl de arts en ik afstand nemen, volgt een van de meest dramatische vijf minuten die ik in zo’n situatie heb meegemaakt. Iedereen huilt, gilt en vloekt. Het gaat mij door merg en been.

De echtgenote wil nog heel graag bij haar man liggen. De maagsonde, de morfinepomp en de katheter worden verwijderd. We leggen haar man een stukje naar de rand van het hoog-laagbed, zodat mevrouw meer ruimte heeft. De huisarts rijdt naar de praktijk om de overlijdenspapieren te halen. Ik spreek met de zus door wat er nu moet gebeuren: familie inlichten en de begrafenisonderneming bellen. Zeg dat het goed is om koffie te zetten.

Na tien minuten, als de arts weer terug is, verlaat ik het huis waar ik – niks vermoedend – een uur eerder binnenliep. Op weg naar de volgende terminale situatie. Wie ga ik nu ontmoeten?!

Thuis zorgen

Je maakt nog eens wat mee…
Er wordt aangebeld. Voor de deur staat een jongen van rond de 12: ‘Meneer kunt u even komen kijken. Er is een jongen gevallen op de fiets en hij heeft veel pijn’. Op straat staat een brugklasser met schaafwonden op zijn hand en een kapotte knie. ‘Gevallen met de fiets’. Een vriend is aan het bellen met de vader van het slachtoffer, die met zijn ene hand de gewonde hand ondersteunt. Hij heeft zich kennelijk wat verveeld op school want op zijn gewonde hand staan de knokkels en de botjes keurig met zwarte pen uitgelijnd. Ik bekijk de wonden en besluit wat schoon te maken en een verbandje aan te leggen. Intussen is de jongen weer wat meer overstuur. ‘Heb je wat water’ vraagt een van zijn vrienden. ‘Kom maar even mee naar de overkant’. Ik open de achterklep van mijn auto en laat het slachtoffer op de rand zitten. Haal uit de garage mijn werktas en de voorraad verbandmiddelen. De jongen geeft op mijn verzoek de telefoon en ik overleg even met zijn vader. Vertel kort wat er aan de hand is. De jongen heeft pijn en na overleg krijgt hij van mij een pijnstiller. Ik verbind de beide wonden (straks thuis verband eraf, even weken onder de kraan) en vervolgens moeder aan de telefoon. Haar zoon zegt: ‘er is hier een heel aardige meneer die mij verbindt’ en ik krijg moeder te spreken. Ben stomverbaasd als ze zegt: ‘dat zulke mensen nog bestaan!’ Natuurlijk help je als iemand iets nodig heeft! Ik heb intussen ook nog tijd om me te vermaken met de reacties van zijn vrienden: ‘ik ben net als dokter Tinus, ik kan niet tegen bloed!’ en als ik de wond op zijn knie verbind verdwijnen de drie brugklassers allemaal achter de auto. ‘Watjes’
Een tante komt de jongen halen (‘we staan bij de Action’) want ik heb een andere afspraak. Wat ik nog het leukste vind: ik krijg van alle vier keurig een hand!
Toch mooi hoe die vrienden met elkaar omgaan en hem steunen: bellen naar zijn vader, een bemoedigende arm om zijn schouder. Het gaat in ieder geval met die jongens wel goed komen!

Ziek ziekenhuis

Enkele weken geleden ruimde ik wat oude mappen op uit mijn opleidingstijd (begin jaren 80 van de vorige eeuw). Mijn oog viel op een tekst met de titel Ziek in een ziekenhuis …. of hoe ziek is een ziekenhuis. Terwijl ik de met een schrijfmachine getikte woorden lees, komt het gevoel van het voorval me weer voor de geest. Tot en met de locatie van de kamer aan het einde van de gang van het paviljoen. De naam van de betrokken patiënten ben ik vergeten. Wel komt het gevoel van onmacht weer naar boven. Onmacht, omdat ik toen als leerling-verpleegkundige niet in staat was om de situatie op een goede manier te veranderen. Onmacht, omdat het woord van de hoofdzuster definitief was. De jaren ervaring spraken voor zich, dacht ze. Onmacht ook omdat de betrokken specialist het presteerde om hem ruim 7 uur te laten wachten op een onderzoek!

Lees hier het verhaal en laat me weten wat je ervan vind.