Waarom ben jij verpleegkundige geworden?

“Waarom ben jij eigenlijk verpleegkundige geworden?” Die vraag wordt me wel eens gesteld en daar heb ik soms een ontwijkend antwoord op: “Als ik beter had opgelet op school, dan was ik wel wat anders geworden”.
De ware reden ligt ergens anders. Ik ben eind jaren 70 een keer mee geweest als vrijwilliger bij de Zonnebloem. Toen had dat nog de mooie naam ‘brancardier’. De hele dag zieke mensen op bedden rondrijden, helpen met eten geven, winkelen en wandelen. Het toppunt voor mij was toen de nachtdienst die ik samen met een zuster mocht draaien. Voor het eerst mensen begeleiden naar het toilet, iemand helpen verschonen. Er ging een wereld voor me open, en ik dacht toen: ik word verpleegkundige! Ik ben een jaar later de opleiding in gegaan, nadat ik mijn goed betaalde kantoorbaan had opgezegd. Nu, bijna 40 jaar later, besteed ik nog steeds minstens 1 week van mijn vakantie per jaar aan Zonnebloemactiviteiten. Ik word tijdens zo’n week altijd weer bevestigd in de reden waarom ik dit werk ben gaan doen. Niet omdat ik niet anders zou kunnen, maar omdat ik zoveel voldoening haal uit mijn werk.
Ik herinner me een bootreis enkele jaren geleden. Ik was mee als hoofd verpleegkundige. ’s-Nachts werd ik om half vijf gewekt door de dienstdoende verpleegkundige omdat een van onze gasten zich niet lekker voelde. Hij was pas een maand goed ingesteld op de juiste medicatie voor zijn diabetes. Ik kom bij meneer op de hut, en begin rustig met vragen. “Wat voelt u precies? Heeft u dat wel vaker? Wat denkt u zelf dat het is? Wat zou u thuis doen?” Meneer dacht zelf aan een lage bloedsuiker. Ik heb een bloedsuikerwaarde geprikt: 7,7. Dat was dus het probleem niet. Waarschijnlijk toch de spanning van de eerste nacht tijdens een vakantie. “Wilt u misschien een glaasje water?” Dat wilde meneer wel. Nog wat napratend kwam hij weer tot rust. “U stelde wel goede vragen” zei hij. En bij het afscheid: “Bedankt dat u zo goed geholpen hebt.” En dan is mijn dag weer helemaal goed!
Ik roep altijd: elke verpleegkundige of verzorgende moet minstens eenmaal een vakantieweek met de Zonnebloem meemaken (nou vooruit, of met het Rode Kruis of een andere organisatie die vakantiereizen organiseert voor onze doelgroep). Je frist er helemaal van op. Wel hard werken, maar je krijgt er heel veel voor terug

“Goed zo!”

“Goed zo!” De opmerking uit mijn mond komt tegelijk met die van de vrouw die het 3 maanden oude jongetje vasthoudt om – na een flesvoeding – een boertje te laten. Hij heeft er moeite mee, huilt wat en produceert vervolgens een flinke boer. Het positief reageren daarop zit er bij mij nog steeds in als kinderverpleegkundige, ook al is het bijna 15 jaar geleden dat ik die baan in het ziekenhuis uitoefende. De vrouw en ik moeten alle twee even lachen om onze reactie. Daarmee breken we even de bedrukte sfeer in de kamer, zo ’s-avonds om een uur of negen. Bedrukt omdat de oma van het jongetje in het bed bij het raam ligt. In de wat donkere kamer kunnen we haar snel zien (en horen) ademhalen. De ogen gesloten, een rustige uitdrukking op haar gezicht. Zij is aan het overlijden en de tegenstelling tussen het tevreden – net gevoede – jongetje en zijn oma is ontegenzeggelijk groot. De oma weet sinds 6 weken dat ze ernstig ziek is. Ze heeft nog een aantal weken van haar eerste kleinkind kunnen genieten, maar de werkelijkheid haalt haar veel te snel in. Terwijl om haar heen het leven doorgaat, is zij met haar laatste uren bezig. Na een kwartier verlaat ik het huis, op weg naar de volgende cliënt. Aan het einde van mijn dienst krijg ik een telefoontje dat mevrouw is overleden.

“Dag dokter!”

Soms word je verrast als je bij een nieuwe cliënt bent. Gisteren kwam ik langs bij iemand die een dag eerder met een morfinepompje was gestart. Ik druk op de bel, en gelijk gaat er een lampje aan boven de camera die bij de deur hangt. Zo kan er binnen worden gezien wie er buiten staat. Kennelijk kwam ik vertrouwd genoeg over, want ik mocht naar binnen. De zoon des huizes wijst mij naar de huiskamer, waar zijn vader aan de telefoon zit. ‘Dag dokter’ zegt hij tegen me en maant vervolgens om stilte want hij is aan de telefoon met een leverancier van een hulpmiddel.
Intussen vertelt de zoon mij over hoe het de afgelopen dagen met zijn vader is vergaan. ‘Hij was er helemaal van af, ik herkende hem gewoon niet meer. Maar sinds hij de morfinepomp heeft, gaat het een stuk beter’. Ik kan dit alleen maar beamen als ik hoor hoe de man zijn verhaal doet tegen de telefoniste.
Terwijl ik met de zoon verder praat, sluit de man na vijf minuten zijn gesprek af. Hij groet mij nogmaals met ‘dag dokter’. Ik leg hem uit dat ik voor dat beroep niet lang genoeg heb gestudeerd, alhoewel bijna zeven jaar opleiding me een heel eind op weg zou helpen.
Ik ben het intussen wel gewend dat ik niet altijd als verpleegkundige word gezien. Man, baard, wat grijs, niet al te groot, maar verbaal duidelijk aanwezig. Ik begrijp de verwarring wel, maar ik ben toch echt ‘een zuster met een baard’.
Ik vroeg me vandaag opeens af of ik wel een dokter had willen zijn. Per slot van rekening ben ik ooit eens getest, en was de uitslag dat ik alles kon worden, als ik maar wilde. Mijn moeder droeg me dat op geregelde tijden na, als er iets weer eens niet liep zoals verwacht. Maar nee, ik zou geen dokter willen zijn. Zou ik dan voldoende tijd hebben om echt naar het verhaal van elke cliënt te luisteren? Zou ik de tijd hebben om de man, die met een easypump een medicijn intraveneus krijgt toegediend, uit te kunnen leggen hoe hij zijn overhemd aan en uit kan trekken?
Zou ik rustig een half uurtje kunnen buurten met de vrouw die haar infuuspompje heeft laten vallen waardoor de spuit is afgebroken? Om haar gerust te stellen, en te praten over haar wens om zelf aan te kunnen geven als het leven voor haar niet meer hoeft?!
Ik wil de artsen niet tekort doen, maar ik vind dat wij als verpleegkundigen ons bezig kunnen houden met heel belangrijke, basale zaken zoals ik die boven heb vernoemd. Daar haal ik mijn werkplezier uit, daar krijg ik een voldaan gevoel van.
Ik ben dus geworden wat ik wilde, en wellicht is dat niet op de top van mijn kunnen, maar het zij zo!

Empathie of sympathie?

Verpleegkundigen en verzorgenden hebben het allemaal in de opleiding geleerd: de dunne scheidslijn tussen empathie en sympathie, daar mag je niet overheen. Hoe kun je anders goed voor een cliënt zorgen? Hoe blijf je onbevooroordeeld en beslis je op basis van professioneel inzicht wat je beste handelingen voor die persoon zijn?
Ik heb die grens altijd jaren lang zeer nauwkeurig bewaakt. Daar kwam niemand overheen, want ‘dat mocht niet’. Althans, zo heb ik dat ervaren. Ik heb daar de laatste jaren een ander idee over gekregen.
Ik vind nog steeds dat je empathie en sympathie van elkaar moet scheiden, maar ik voel me meer betrokken bij cliënten dan ik voor mogelijk had gehouden. Zo hebben wij een cliënt in zorg, waar ik enkele weken terug diverse malen in mijn weekenddienst bij ben geweest omdat er pijnklachten waren en enkele urologische problemen die niet zomaar op te lossen waren. Door overleg met de dienstdoend uroloog, goed navragen wat de cliënt en de partner wilde, hebben we toch een situatie bereikt die draaglijk was. Onlangs ben ik twee keer langs geweest omdat de pijn weer terug was. Vroeg in de avond om de pijnmedicatie op te hogen, rond 23.00 uur nog even om te zien of het geholpen had. Het echtpaar vertelde mij hoe de situatie was: ze waren wel tevreden. De pijnscore was van vijf naar twee gegaan en dat was zeer acceptabel. Even later hadden de echtelieden een kleine woordenwisseling die ook snel weer gesust was. Het onderwerp stelde eigenlijk heel weinig voor. Terwijl ik ze zo bekeek, bekroop mij een warm gevoel: mooi om te zien dat deze mensen ook in de nabijheid van een hulpverlener zichzelf konden zijn. Dat mijn opmerking ‘maar jullie zitten elkaar ook al meer dan vijftig jaar op de lip’ een lach bij beiden losmaakte. En dat we daarna nog even rustig konden praten over de net gepoetste koperen voorwerpen op de kast. Ik geniet volop van die momenten en daarom heb ik het na ruim 39 jaar in de zorg nog steeds naar mijn zin!