Nachtwerk

Bij nacht en ontij werken hoort bij de zorg. Soms in diensten in verpleeg- en ziekenhuizen. Maar ook op de dokterspost, de ambulance, en in de thuiszorg.
Een van de minder aantrekkelijke kanten van het werk is juist dat bij nacht en ontij aan het werk zijn.
Mijn bereikbaarheidsdiensten lopen van 2300 uur tot de volgende ochtend 0800 uur. Meestal heb ik er dan al een 4 tot 5 uurtjes werk op zitten. De cliënten van het VTT team kunnen 24 uur per dag een beroep op ons doen. In slaap vallen met de telefoon binnen handbereik: daar keek ik vroeger tegenop, maar nu is dat bijna een tweede natuur. Soms verbaasd wakker wordend om 0730 uur omdat je niet bent gebeld, terwijl je het toch had verwacht.
’s-Nachts gebeuren regelmatig mooie dingen. Ergens in het voorjaar ging mijn telefoon om 0415 uur: de zoon van een cliënt meldde dat zijn vader veel buikpijn had en erg onrustig was. De man was al een tijdje bij ons in zorg. Ik had de avond ervoor een intermitterende palliatieve sedatie bij zijn vader gestart. Hij was rustig gaan slapen, terwijl in de kamer nog enkele familieleden aanwezig waren. Wat pinda’s, kaas en worst op tafel, een borrel erbij. Alsof de familie al een gevoel had dat het de laatste avond zou zijn. Ook ik neem die avond – zeer tegen mijn gewoonte in – afscheid van hem met een handdruk.
Onderweg naar de cliënt neem ik telefonisch contact op met de huisartsenpost om te overleggen wat te doen: de doorbraakpijn bestrijden met een bolus morfine en met 50% ophogen van de dosis morfine die hij al heeft? Ook nog extra dormicum toedienen voor de rust?
Bij mijn aankomst was het duidelijk dat ik niets meer hoefde te doen: de man was overleden. Ik bel de dokterspost op, meldt het overlijden en wacht samen met de familie tot de arts komt schouwen.
In het gesprek met de familie komt naar voren dat er geen begrafenisverzekering is: ‘er is maar een ding zeker in het leven en dat is dat je dood gaat. Daar moet je je niet voor willen verzekeren’ was het standpunt van de familie.
Nadat de arts de papieren heeft ingevuld, overleg ik met de familie. Samen met de zus besluiten we de heer te wassen. Vlak voor het overlijden was er nog veel ontlasting gekomen. Terwijl de rest van de familie in een andere kamer praat over welke begrafenisondernemer zal worden ingeschakeld gaan wij aan het werk. De zus, die ook werkt in de zorg, vertelt me dat dit verzorgen eigenlijk het werk van haar en haar broer samen was in de familie. Haar net overleden broer heeft een loopbaan van ruim veertig jaar als verpleegkundige achter de rug. Zij hebben al verschillende familieleden samen de laatste zorg mogen geven.
Ik sluit de zorg verder af, neem de twee pompen mee naar kantoor. Onderweg gloort het eerste daglicht aan de hemel. Er komen steeds meer auto’s op de weg. Mijn gedachten gaan terug naar wat ik de afgelopen twee uur heb meegemaakt. Hoe bijzonder het is om in dergelijke intieme momenten aanwezig te mogen zijn en iets te kunnen betekenen. En vaak is dat als je bij nacht en ontij werkt!

Over geloof…

Als lid van het Verpleegkundig Thuiszorg Technologie team (VTT-team) kom ik vaak bij cliënten die de laatste dagen of weken van hun leven gebruik maken van technische hulpmiddelen, zoals een voedingsinfuus. Of waarbij de pijn wordt bestreden door de continue onderhuidse toediening van morfine. Ook verzorgen wij de pompjes als er sprake is van palliatieve sedatie. Hierbij wordt door onderhuidse toediening van bijvoorbeeld midazolam getracht het bewustzijn dusdanig te verlagen dat het lijden niet meer als ondraaglijk wordt ervaren.
De beslissing om met de sedatie te beginnen is vaak een moeilijke. Er zijn cliënten die hier heel uitgesproken in zijn: natuurlijk is sedatie een goede manier.
Anderen hebben daar meer moeite mee. Ik kom soms ook bij cliënten waar het geloof een palliatieve sedatie in de weg staat.
Recent kwam ik in een van de dorpen rond den Bosch bij een hoogbejaarde dame. Er was 24uurs-zorg in huis, maar die mocht geen morfine spuiten. Aan ons het verzoek om dat te komen doen. Nadat ik aanbelde, werd ik door de nachtzuster binnengelaten. “Je mag ook even op de gang wachten, want er wordt nu gebeden” fluisterde ze me toe. Door het glas van de kamerdeur zag ik dat er een grote doopkaars was aangestoken en de drie familieleden die mevrouw nog had zaten rond het bed met de rozenkrans in de hand.
Na enkele minuten mocht ik naar binnen, en heb ik de morfine injectie gegeven. Met mevrouw was nauwelijks contact te krijgen. Nadat ik klaar was, was het duidelijk dat mijn aanwezigheid op dat moment de familie alleen maar stoorde in hun vurige wens om met het gebed verder te gaan. De nachtzuster vertelde me bij de voordeur nog het een en ander over de familie. Duidelijk was dat het katholieke geloof voor mevrouw een heel sterke leidraad in haar leven was geweest. Zij was ervan overtuigd dat God met alles een bedoeling heeft, dus ook met haar lijden. Sedatie was voor haar onbespreekbaar, zelfs de morfine injecties waren eigenlijk al iets teveel. Mevrouw ondervond veel sterkte en troost bij het bidden rond haar sterfbed en het branden van de kaars.
Toen ik naar huis toe reed, heb ik nog wel even goed nagedacht over wat ik nu allemaal had gezien. Een ding viel me echt op: hoe sterk een geloof je kan steunen als je het nodig hebt…. Maar dan moet je wel echt geloven, of het nou in God, Jahweh, of Allah is.

Mantelzorgers

Mantelzorgers… “De meest onderschatte categorie in onze samenleving” noem ik ze wel eens. Wij komen ze in ons werk dagelijks tegen; de onbaatzuchtige familieleden die vader, moeder of opa/oma liefdevol verzorgen. Dag in dag uit, 24 uur per dag voor ze klaar staan. De boodschappen doen, de administratie bijhouden, meegaan bij afspraken bij de specialist in het ziekenhuis.
Maar ook: dagenlang aan het sterfbed van een familielid waken, wachtend op het overlijden. Het kenmerkende van mantelzorgers is dat ze het vrijwillig doen, en er anderen een grote dienst mee bewijzen.
In de thuiszorg bestaat ook een buddy-systeem, overgenomen van de zorg rond de Hiv-geïnfecteerden uit de jaren 90. Hier komen vrijwilligers wekelijks soms meerdere keren bij chronisch zieke mensen op bezoek, en begeleiden hen. Ik heb daar diep respect voor.
Soms kunnen mantelzorgers ook lastig over komen, dwingend in hun vragen, veeleisend in hun verlangens. Vaak is dat terug te voeren op onmacht, het niet goed om kunnen gaan met de situatie en dan een uitlaatklep zoeken voor de frustratie en de onmacht. Ja, die meest onderschatte categorie kan ook wel eens irritant zijn. Ik kan daar best wel begrip voor opbrengen, maar er zijn natuurlijk wel grenzen. Zo werken wij in ons team het liefst met afspraken voor de zorg voor of na de middag. Natuurlijk begrijpen wij dat het voor iedereen prettig is om te weten hoe laat er zorg wordt geleverd. Als je een keer de hele dag hebt moeten wachten op bijvoorbeeld de aflevering van nieuwe meubels, dan ben je blij als ze er eindelijk zijn.
Toch zijn er cliënten waarvan de mantelzorgers het sterke verlangen uitspreken (ik schrijf bewust niet: eisen, maar soms komt het wel zo over….) om tussen 10.00 en 10.30 uur geholpen te worden. En als het niet gaat om tijdgebonden handelingen (zoals b.v. intraveneuze toediening van antibiotica) dan is dat heel moeilijk te realiseren. Vooral als je ook nog met je acute omroepen moet omgaan. Sommige zaken gaan gewoon voor! En dan is een beetje speling in je route wel heel prettig.
En ja, helaas is er soms een mantelzorger die daar geen enkel begrip voor kan opbrengen. Ik noem ze wel eens Remy’s, mensen die denken alleen op de wereld te zijn. Ik blijf altijd kalm, probeer mee te gaan in hun gevoelens, maar ik leg ze wel altijd uit dat het niet altijd kan zoals zij dat willen omdat….. er meer mensen zijn die onze hulp nodig hebben…

Wist jij dat…

“Wist jij dat er verpleegkundigen rondreden die dit soort dingen doen?” De stoere zoon spreekt aan de ouderlijke keukentafel zijn vrouw aan. Ik heb zojuist een pompje aangesloten bij zijn vader die voor de nacht gesedeerd wil worden. “Nee” antwoordt ze “ik wist dat ook niet”. Zij kijkt vragend naar mij en ik leg uit dat wij bij Vivent 13 van ‘dat soort’ verpleegkundigen hebben, en dat landelijk geschat wordt dat er zo’n 500 collega’s actief zijn in wat Technisch Thuiszorg Verpleegkunde wordt genoemd (TTV). Wij kozen ruim 20 jaar geleden voor VTT (Verpleegkundige Thuiszorg Technologie). Op de vraag: ”wat doen jullie zoal?” vertel ik over de pijnbestrijding die tot ons vakgebied behoort naast de palliatieve sedatie. “Bloedtransfusies, medicatie intraveneus, infuusvoeding, gecompliceerde wondzorg, en we hebben een back-up functie voor de andere zorgteams van Vivent, en in de nacht ook voor de andere zorgaanbieders in de regio.”
Ja, we zijn – zoals dat heet – van alle markten thuis! En daar zit nou juist ook de uitdaging in ons vak: je weet nooit welk huis je binnenstapt, en welke zorg er nodig is. “Ja maar pijn is toch pijn” hoor ik je denken. En dat klopt ook, maar slechts ten dele. Het gaat erom hoe pijn ervaren wordt en hoe iemand daarmee om kan gaan. Ik sprak enkele weken geleden een cliënt die vertelde dat haar moeder bij elk pijntje klaagde, en op de bank ging liggen. Meestal zie je dan dat kinderen het pijngedrag van de ouder overnemen, maar deze cliënt was daar nou niet bepaald het bewijs van. Pijnbeleving en pijngedrag zijn twee verschillende zaken die beiden op een andere manier kunnen worden ‘aangepakt’. En dat is de variatie die elke cliënt weer uniek maakt!

Geplande en ongeplande zorg

‘Wat vind jij nou mooi aan je beroep?’ Dat is vaak een vraag die ik krijg nadat ik iets verteld heb over het werk als verpleegkundige in een VTT-team. Want als de vraagsteller hoort dat een groot deel van mijn werk bestaat uit zorg verlenen in een terminale situatie, dan kunnen ze zich moeilijk iets voorstellen bij ‘plezier in je werk’.
Ik vertel dan meestal iets over de afwisseling in het werk, de mensen bij wie je thuis komt. De cliënten en de familie waar je een stukje naast mag lopen op weg naar… Ja, naar wat eigenlijk?!.
Geplande en ongeplande zorg. Juist in dat laatste liggen vaak heel mooie, intensieve zorgvragen verscholen.
Ik kan me veel situaties herinneren. Een speciale zorgvraag staat me nog heel helder voor de geest. Een huisarts belt mij op een zondagochtend op met de vraag om overleg. Zij is bij een cliënt die het gevoel heeft dat er iets achter in de keel blijft steken en die daar benauwd van wordt. Ik stel enkele vragen over de cliënt die bij ons in zorg is, en geef vervolgens aan dat ik binnen 20 minuten langs kan komen. ‘Ik wacht wel’ krijg ik te horen. Het blijkt dat de benauwdheid in sterke mate is teruggekomen, en dat de euthanasie die op maandag zou worden uitgevoerd, naar voren wordt gehaald. Dit is de wens van de cliënt, en de eigen huisarts gaat daar in mee. De apotheker was bereid om op zondag de al klaargemaakte euthanatica af te leveren bij de arts. Ons team had al de vraag gekregen om de infuusnaald in te brengen op de geplande datum. Snel schakelen tussen huisarts, familie en cliënt zorgt voor een goed tijdstip aan het einde van de dag. Om die periode zonder veel lijden te overbruggen biedt de huisarts aan dat zij gebeld kan worden als het gevoel van benauwdheid weer minder draaglijk zou worden.Meestal brengen we een aantal uren eerder de infuusnaald in, zodat we de zekerheid van een goede intraveneuze toegangsweg hebben. In dit geval werd gekozen voor het inbrengen van de naald vlak voordat de euthanasie zal worden uitgevoerd. Dit geeft de familie nog gelegenheid om afscheid te nemen.
Aan het einde van de dag ben ik er weer. De huisarts is al binnen. De cliënt neemt het woord en bedankt alle aanwezigen (er zijn 10 mensen in de kamer die – op verzoek van de cliënt – aanwezig zijn ) voor hun steun. De cliënt ligt niet in bed, maar zit op de bank waar volgens wens de euthanasie wordt uitgevoerd. Mijn keus voor een venflon in de linker onderarm wordt tegengesproken door de cliënt: ‘Graag in de elleboogplooi, want dan weet ik zeker dat het infuus goed zit!’ ‘Natuurlijk’ is mijn antwoord, en bij het plaatsen van de naald realiseer ik mij dat ik nog niet eerder een infuus heb ingebracht in de elleboogplooi…
Om een lang verhaal kort te maken: de cliënt valt heel snel in slaap na de eerste intraveneuze injectie, en binnen 5 minuten is duidelijk dat de dood is ingetreden. Het afhandelen van alle formaliteiten is gelukkig snel achter de rug. De gemeentelijk arts waar de euthanasie altijd wordt gemeld is al in de buurt voor een andere zaak. Hij overtuigt zich aan de hand van de documenten van de juiste gang van zaken, overlegt met de officier van justitie en vervolgens wordt het lichaam vrijgegeven.
Aan de familie, de huisarts en mij de taak om de cliënt van de bank in het bed te tillen, zodat de begrafenisondernemer haar werk kan komen doen.
Ik schrijf het wat afstandelijk op, vooral met betrekking tot de cliënt. Ik zal me tot in lengte van dagen de reactie blijven herinneren van de cliënt toen duidelijk was dat de wens om eerder tot euthanasie over te gaan, kon worden gehonoreerd.
Zo zal ik ook de mooie rol blijven herinneren die de huisarts hierin speelde. Haar begeleidingstraject is een schoolvoorbeeld van hoe dit zou moeten: warm, empathisch, duidelijk. De tijd nemen, zelfs op haar vrije zondag terugkomen om haar cliënt bij te staan.
Zelf stap ik na bijna twee uur in de auto, op weg naar huis. Ik realiseer me dat ik daar niet zo heel veel kan zeggen over mijn werkdag anders dan: ‘Het was een mooie dag, maar wel zwaar!’ Ik had bij aanvang van de dienst me niet kunnen voorstellen dat ik aan het einde van diezelfde dag deelgenoot mocht zijn van een van de meest intieme momenten in een mensenleven: het zelfgekozen overlijden.
Wat hebben we toch een fantastisch rotberoep!