“Is het nu al klaar?!”

In mijn late dienst kreeg ik enkele weken geleden een oproep uit een wijkteam in ons werkgebied. “De verblijfskatheter bij mevrouw is eruit, en ik benĀ  nog niet bekwaam om die opnieuw in te brengen”. Meestal duurt het dan wel even voordat ik de ruimte heb om langs te gaan, maar nu kon ik er binnen 10 minuten zijn. De collega gaf aan te kunnen wachten. Ik bel aan, de partner doet open. Door een smalle gang volg ik hem naar de kleine woonkamer, waar een bed staat. Mevrouw zit klaar, en kijkt angstig uit haar ogen. Mijn collega legt uit dat mevrouw erg moet wennen aan nieuwe gezichten en dus ook aan mij. “Ja” voegt mevrouw toe, “de vorige keer heeft het erg veel pijn gedaan. Je gebruikt toch wel verdovingsgel?” Mijn collega had me – voor ik kwam – al huizenhoog geprezen dat er geen betere kon zijn dan ik….

Mevrouw gaat aarzelend op bed liggen. Samen met mijn collega zet ik de spullen klaar. Ik handel verder volgens protocol, breng de verdovingsgel aan en wacht een paar minuten. Daarna geef ik aan dat de katheter wordt ingebracht. Vijf seconden later stroomt er urine in de slang, en vul ik de ballon met water. “Zo” zeg ik, “gebeurd!” Een verbaasde blik op het gezicht van mevrouw: “Is het nu al klaar?! Oh, dank u wel, ik heb er niks van gemerkt!” Zo’n blik, zo’n opmerking: dat maakt mijn hele dag goed!